﴾ قُلْ هَٰذِهِۦ سَبِيلِىٓ أَدْعُوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ ۚ عَلَىٰ بَصِيرَةٍ أَنَا۠ وَمَنِ ٱتَّبَعَنِى ۖ وَسُبْحَـٰنَ ٱللَّهِ وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلْمُشْرِكِينَ ﴿

Artikel

Duidelijke bewijzen over het oordeel van liegen in bepaalde gevallen

⁧الحمدلله وكفى، والصلاة والسلام على النبي المصطفى، وعلى آله وصحبه ومن بسنته اقتفى، أما بعد:⁩

Liegen behoort tot de afschuwelijkste ondeugden en de lelijkste eigenschappen. Het verbod erop en de afkeuring ervan zijn zo veelvuldig en duidelijk overgeleverd in de Qurʾān en de Sunnah dat verdere bewijsvoering eigenlijk overbodig is.

Allah, de Almachtige, zegt:

⁧﴿إِنَّمَا يَفْتَرِي الْكَذِبَ الَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِآيَاتِ اللَّهِ﴾⁩

“Het zijn slechts degenen die niet in de tekenen van Allah geloven die leugens verzinnen.”

En Hij, verheven is Hij, zegt:

⁧﴿وَيْلٌ لِّكُلِّ أَفَّاكٍ أَثِيمٍ﴾⁩

“Wee iedere zondige leugenaar.”

De waarachtige en geloofwaardige Profeet ﷺ zei in de authentieke ḥadīth:

⁧“إياكم والكذب، فإن الكذب يهدي إلى الفجور، وإن الفجور يهدي إلى النار”.⁩

“Pas op voor het liegen. Voorwaar, liegen leidt tot zondigheid en zondigheid leidt tot het Vuur.”

Sterker nog, de Profeet ﷺ maakte liegen tot een kenmerk en eigenschap van de huichelaars in de overeengekomen ḥadīth:

⁧“آية المنافق ثلاث: إذا حدَّث كذب، وإذا وعد أخلف، وإذا اؤتمن خان”.⁩

“Het teken van de huichelaar bestaat uit drie zaken: wanneer hij spreekt, liegt hij; wanneer hij iets belooft, verbreekt hij zijn belofte; en wanneer hem iets wordt toevertrouwd, pleegt hij verraad.”

En zoals gezegd werd:

⁧لا يكذبُ المرءُ إِلا من مهانتِه⁩
⁧أو عادةِ السوءِ أو من قلةِ الأدبِ⁩
⁧لَبعضُ جيفةِ كلبٍ خيرُ رائحةٍ⁩
⁧من كذبةِ المرءِ في جدٍّ وفي لعبِ⁩

“Een mens liegt slechts vanwege zijn laagheid,
of door een slechte gewoonte, of door gebrek aan goede manieren.
Een deel van het kadaver van een hond ruikt nog beter
dan de leugen van een mens, zowel in ernst als in spel.”

De zuivere Sharīʿah echter, die in iedere situatie en op ieder moment is gebouwd op het verwezenlijken van belangen en het afweren van schade, heeft dit verbod niet zo absoluut gemaakt dat daarmee de deur van barmhartigheid voor de verzwakten wordt gesloten.

Het is authentiek overgeleverd van de Profeet ﷺ in wat al-Bukhārī en Muslim overleverden van Umm Kulthūm bint ʿUqbah — moge Allah tevreden met haar zijn — dat hij zei:

⁧“ليس الكذَّاب الذي يُصلح بين الناس فيَنمي خيرًا أو يقول خيرًا”.⁩

“Degene die tussen mensen verzoening tot stand brengt, daarbij iets goeds overbrengt of iets goeds zegt, wordt niet als leugenaar beschouwd.”

Umm Kulthūm voegde in een overlevering van Muslim toe:

⁧“ولم أسمعه يُرخِّص في شيء مما يقول الناس إلا في ثلاث: الحرب، والإصلاح بين الناس، وحديث الرجل امرأته وحديث المرأة زوجها”.⁩

“Ik heb hem voor niets van wat mensen zeggen toestemming horen geven, behalve in drie zaken: oorlog, verzoening tussen mensen, het spreken van een man tot zijn vrouw en het spreken van een vrouw tot haar man.”

Al-Nawawī — moge Allah hem genadig zijn — zei in al-Adhkār als commentaar op deze ḥadīth:

⁧“فهذا حديث صريح في إباحة بعض الكذب للمصلحة، وقد ضبط العلماء ما يُباح منه”.⁩

“Deze ḥadīth is duidelijk in het toestaan van bepaalde vormen van liegen vanwege een belang, en de geleerden hebben nauwkeurig vastgesteld welke vormen daarvan toegestaan zijn.”

Ook overleverden al-Bukhārī en Muslim in de lange ḥadīth over de voorspraak dat Ibrāhīm al-Khalīl, vrede zij met hem, op de Dag der Opstanding zal zeggen:

⁧“إني كذبتُ ثلاث كذبات”.⁩

“Ik heb drie leugens verteld.”

Daarmee worden zijn uitspraken bedoeld:

⁧﴿إِنِّي سَقِيمٌ﴾⁩

“Voorwaar, ik ben ziek.”

En:

⁧﴿بَلْ فَعَلَهُ كَبِيرُهُمْ هَذَا﴾⁩

“Nee, deze grote van hen heeft het gedaan.”

En zijn uitspraak over Sārah toen hij langs de tirannieke koning kwam:

⁧“هي أختي”.⁩

“Zij is mijn zuster.”

In een overlevering van Aḥmad staat:

⁧“إني كذبتُ في الإسلام ثلاث كذبات، والله إن أجادل بهن إلا عن دين الله”.⁩

“Ik heb binnen de Islām drie leugens verteld. Bij Allah, ik gebruikte deze slechts omwille van de religie van Allah.”

Hierin bevindt zich een bewijs dat liegen in sommige situaties toegestaan kan zijn. Als dit een zonde was geweest, zou het niet zijn voortgekomen van een onfeilbare profeet.

Hetzelfde geldt voor wat de schrijvers van de Sīrah hebben overgeleverd over het verhaal van al-Ḥajjāj ibn ʿIlāṭ, toen hij de polytheïsten de indruk gaf dat de Profeet ﷺ was verslagen, zodat hij na de verovering van Khaybar zijn bezit uit Makkah kon veiligstellen.

Imām Ibn al-Qayyim gebruikte dit als bewijs in al-Hady en zei:

⁧“يجوز كذب الإنسان على نفسه وعلى غيره إذا لم يتضمَّن ضررَ ذلك الغير، إذا كان يتوصَّل بالكذب إلى حقه”.⁩

“Het is toegestaan dat iemand over zichzelf of over een ander liegt, zolang dit geen schade voor die ander met zich meebrengt, wanneer hij door middel van die leugen zijn recht kan verkrijgen.”

Na het uiteenzetten van deze bewijzen wordt duidelijk dat de geleerden overeenstemming hebben bereikt over een alomvattende regel waarmee zij dit onderwerp hebben afgebakend. Ibn al-Jawzī, Ibn Qudāmah, al-Nawawī, Ibn Mufliḥ, Ibn ʿĀbidīn en anderen hebben deze regel bevestigd.

Deze regel luidt:

⁧“أن كلَّ مقصود محمود يمكن التوصل إليه بالصدق والكذب جميعًا فالكذب فيه حرام، وإن أمكن التوصل إليه بالكذب دون الصدق فالكذب فيه مباح إن كان المقصود مباحًا، وواجب إن كان المقصود واجبًا، وهكذا”.⁩

“Ieder prijzenswaardig doel dat zowel door waarheid als door liegen bereikt kan worden, maakt liegen verboden.

Als het doel echter alleen door liegen bereikt kan worden en niet door waarheid, dan is liegen toegestaan wanneer het doel toegestaan is, en verplicht wanneer het doel verplicht is, enzovoort.”

Deze regel is gebaseerd op het uitgangspunt dat liegen niet op zichzelf verboden is, maar vanwege de schade die ermee gepaard gaat. Het is dus een middel en geen doel op zichzelf.

En de regel is:

⁧“الوسائل تأخذ حكم مقاصدها”.⁩

“De middelen krijgen het oordeel van hun doelen.”

Voor de toelaatbaarheid hebben de geleerden vier voorwaarden samengebracht.

De eerste is dat het onmogelijk is om het prijzenswaardige doel door middel van waarheid te bereiken. Anders blijft het liegen verboden en ontbreekt iedere geldige rechtvaardiging.

De tweede is dat men, voor zover mogelijk, eerst gebruikmaakt van tawriyah en maʿārīḍ — dubbelzinnige of indirecte formuleringen — voordat men overgaat tot een expliciete leugen.

Al-Nawawī — moge Allah hem genadig zijn — zei:

⁧“والاحتياط في هذا كله أن يورِّي”.⁩

“De voorzichtige handelwijze in dit alles is dat men gebruikmaakt van tawriyah.”

Ibn Qudāmah zei:

⁧“ينبغي له العدول إلى المعاريض ما أمكن لئلا تعتاد نفسه الكذب”.⁩

“Hij behoort, voor zover mogelijk, zijn toevlucht te nemen tot indirecte formuleringen, zodat zijn ziel niet gewend raakt aan liegen.”

Met maʿārīḍ wordt bedoeld dat iemand zijn woorden zo formuleert dat zij in hun uiterlijke bewoordingen overeenkomen met wat de toehoorder begrijpt, terwijl hij zelf een andere betekenis bedoelt. De toehoorder denkt dan dat de spreker die eerste betekenis bedoelde.

En er is overgeleverd van de Profeet ﷺ:

⁧إن في المعاريض لمندوحة عن الكذب.⁩

“Voorwaar, in maʿārīḍ (indirecte en dubbelzinnige formuleringen) bevindt zich een uitweg waardoor men niet hoeft te liegen.”

En ʿUmar — moge Allah tevreden met hem zijn — zei ook:

⁧أما في المعاريض ما يكفي المسلم الكذب.⁩

“In maʿārīḍ (indirecte formuleringen) bevindt zich voor de moslim voldoende om het liegen te vermijden.”

De geleerden zeiden hierover — zoals al-Nawawī in al-Adhkār overleverde:

⁧“فإن دعت إلى ذلك مصلحة شرعية راجحة على خداع المخاطب، أو حاجة لا مندوحة عنها إلا بالكذب، فلا بأس بالتعريض، وإن لم يكن شيء من ذلك فهو مكروه وليس بحرام، إلا أن يتوصل به إلى أخذ باطل أو دفع حق، فيصير حينئذ حراما”.⁩

“Wanneer een Sharʿī-belang daartoe aanleiding geeft dat zwaarder weegt dan het misleiden van degene tot wie men spreekt, of wanneer er een behoefte bestaat waarvoor geen uitweg bestaat behalve door middel van liegen, dan is er niets mis met indirect spreken. Als er niets van dit alles aanwezig is, dan is het afkeurenswaardig maar niet verboden. Behalve wanneer men het gebruikt om iets onrechtmatigs te verkrijgen of een recht tegen te houden; dan wordt het verboden.”

De derde voorwaarde is dat de leugen geen schade veroorzaakt aan een andere beschermde persoon, zoals Ibn al-Qayyim — moge Allah hem genadig zijn — uitdrukkelijk heeft vermeld.

De vierde voorwaarde is dat de schadelijke gevolgen van de waarheid duidelijk groter zijn dan de schadelijke gevolgen van de leugen.

In al-Iḥyāʾ staat:

⁧“ينبغي أن يقابل مفسدة الكذب بالمفسدة المترتبة على الصدق، فإن كانت مفسدة الصدق أشد فله الكذب، وإن كان العكس أو شك حرُم”.⁩

“Men behoort de schade van het liegen af te wegen tegen de schade die uit het spreken van de waarheid voortvloeit. Wanneer de schade van het spreken van de waarheid groter is, mag hij liegen. Wanneer het tegenovergestelde het geval is, of wanneer hij twijfelt, dan is het verboden.”

Abū al-Khaṭṭāb van de Ḥanbalī-geleerden was van mening dat liegen absoluut niet toegestaan is. Hij stond echter wel toe dat men de kleinste van twee schadelijke zaken begaat om de grootste ervan af te wenden. Volgens hem blijft liegen dus een zonde, maar wordt deze zonde begaan om een grotere zonde af te weren.

Deze opvatting wijkt echter af van de mening van de meerderheid.

Al-Qurṭubī — moge Allah hem genadig zijn — zei ter verduidelijking van de kracht van deze opvatting:

⁧“وأما كذبةٌ تُنجي ميتًا أو وليًّا أو أممًا أو مظلومًا ممن يريد ظلمه فذلك لا تختلف في وجوبه أمةٌ من الأمم، لا العرب ولا العجم”.⁩

“Wat betreft een leugen waarmee men een persoon die met de dood wordt bedreigd, een vriend, gemeenschappen of een onderdrukte persoon redt van iemand die hem onrecht wil aandoen: geen enkele gemeenschap verschilt van mening over de verplichting daarvan, noch onder de Arabieren noch onder de niet-Arabieren.”

De conclusie is dus dat liegen in oorsprong streng verboden is. Zoals eerder vermeld is het een sleutel tot zondigheid en een teken van huichelarij.

Wanneer het echter de enige weg is om een prijzenswaardig doel — volgens de Sharīʿah! — te bereiken, dan krijgt het hetzelfde oordeel als dat doel. Het wordt verplicht wanneer het doel verplicht is, zoals het beschermen van het leven van een beschermde persoon of het bewaren van een toevertrouwd bezit tegen een onderdrukker.

Telkens wanneer er een uitweg bestaat door gebruik te maken van tawriyah en indirecte formuleringen, heeft dat de voorkeur boven een expliciete leugen. Wanneer dat onmogelijk is, kan men overgaan tot liegen in overeenstemming met de mate van behoefte en noodzaak.

En Allah weet het het beste.

Delen